Praktische informatie over coaching

Dons

Onlangs kocht een gezinslid een winterjas van een merk dat ik niet zal noemen, het oerdegelijke huismerk van een oer-Hollandse belangenvereniging voor fietsers en automobilisten, die ik ook niet bij naam zal noemen, want als ik met pech langs de weg sta wil ik dat ze me komen helpen, ondanks plasticlabel-gate.

Hulsje
Ik draag niet zo veel bij aan het huishouden, maar ik heb mijn taakjes, zoals de was doen, en het opbergen van de bijgeleverde reserveknopen van nieuwe kleren die het huis in komen.

Aan het label van de jas tref ik een doorzichtig plastic hulsje, met de lengte en dikte van mijn pink, gevuld met dons, met daarop de letters ‘DONS’. Ook staat op de labelkaartjes uitvoerig beschreven dat het een jas is, gevuld met dons. Het kan niemand ontgaan dat deze jas gevuld is met dons.

Prullenbak
Ik ben geen dons-activist. Ik ben sowieso maar sporadisch te betrappen op activisme. Maar mijn brein, blijkbaar in voor een strijdlustig verzetje, focust op het plastic omhulsel met dons.

Het hulsje vervult ontzettend geen enkele functie, behalve misschien dat het de nieuwsgierigheid bevredigt van de mensen die niet weten hoe dons er uitziet. En ook dan zal het, na een blik op de inhoud, in de prullenbak worden gegooid.
De stuitende zinloosheid ervan laat me niet los.

Revolutie
Het is tijd voor actie, met mopperen verander je de wereld niet.
Ik moet mijn werk bellen en melden dat ik thuisblijf als klimaatspijbelaar.

Nee, beter van niet.
Een mailtje aan het kledingmerk wordt het.

Ik heb hooggespannen verwachtingen. Ik ontketen vanaf de bank eigenhandig een plasticvrije winterjaslabelrevolutie, met mijn oprisping van fanatisme.

Memo
Ondertussen verkneukelt de klachtafdeling zich over mijn mail.
‘Jongens, moet je horen, ik heb een klacht binnen over een jas. Nou ja, niet echt over de jas, maar over dat plastic dons-ding, dat aan de productinformatiekaarten hangt. Wie moet daar antwoord op geven?’
‘Het plastic wattes?’
‘Kijk, ze heeft een foto meegestuurd. Dat dingetje met dons erin.’

Het memo waarin werd besloten de plastic donscapsules aan de jassen te hangen is onvindbaar, er kan niemand ter verantwoording worden geroepen. Het is niet duidelijk wie hier een knoop over moet doorhakken, marketing en productie en public affairs wijzen naar elkaar.
De klacht verhuist naar de backlog en leidt daar een slapend bestaan.
Het gevogelte in de donsfabriek blijft zacht snaterend plastic hulsjes vullen met hun mooiste dons.
Ik wacht vergeefs op antwoord.

Dons.png

Kinderen

‘Ik heb niets met kinderen,’ hoor ik regelmatig zeggen.
Ik zeg het zelf ook wel eens, waarmee ik bedoel dat als je mij een dag in een kinderopvang zou neerzetten, je me weg kan dragen. Dan ben ik overspannen, en de kinderen waarschijnlijk ook.

Ontregelend
Daarom werk ik daar niet, ik ken mijn beperkingen.
Ik ben niet goed met chaos, herrie en drie vragen tegelijk beantwoorden, dus je kunt gevoeglijk concluderen dat ik niet veel op heb met het ontregelende gedrag dat kinderen in elkaars gezelschap vertonen.

Maar dat is niet hetzelfde als wat ik met die uitspraak zeg.
Het is daarnaast een beetje kort door de bocht. Ik heb notabene zelf kinderen, waarvan eentje nog lang niet volwassen.

Aparte diersoort
Toen ik klein was vond ik het een vreemde opmerking, ‘niets met kinderen hebben’.
Kinderen waren toch geen aparte soort, waar je, net als aan honden of katten, een hekel aan kon hebben?
De mensen die dat zeiden waren niet eens zo lang geleden zelf kind geweest. Was het dan zoveel anders om volwassen te zijn?
Hadden ze zichzelf ook stom gevonden, toen ze nog jong waren?
Of waren ze compleet vergeten dat ze kind waren geweest?

Het maakte me er erg bewust van dat ik een kind was.
Ik vreesde dat als ik zelf volwassen was, ik ook naar kinderen zou kijken als naar een andere diersoort.
Dan zou ik misschien ook wel vergeten hoe dat was, kind zijn.

Verschillen
Nu heb ik een bredere kijk op de zaak, want ik ben beide soorten geweest.
Toegegeven, ik constateer verschillen waar ik als kind niet bij stilstond.

Mijn vriendinnen eten hun ontbijt zonder oeverloos getreuzel, stampen de trap niet op als ze hongerig zijn en geen chips mogen, en ze smeren geen snot af aan kleren, banken en volwassenen die ze niet kennen, zoals peuters doen.
Ze onderbreken mijn conversaties niet om de haverklap.
Mede daarom breng ik mijn tijd graag met ze door.

Met mijn dochter van negen breng ik evenwel ook graag tijd door, en dat is een understatement. Ze verdient niets minder dan alle liefde. En ik hou van haar precies zoals ze is. Ook als ze boos de trap op stampt.

Er is een verschil tussen wie ze is en wat ze doet. We zijn gelijkwaardig, maar we gedragen ons niet gelijk, zij en ik.
De uitspraak ‘Ik heb niet veel met kinderen’ negeert dat verschil geheel onterecht.

Gewaardeerd
Ik ben niet vergeten hoe het is om kind te zijn.
Ik ben ook niet vergeten hoe het was als mensen mij leuk vonden omdat ik een kind was. Of fijner nog, gewoon omdat ik was wie ik was.
Ik vond het fijn om me gezien en gewaardeerd te voelen.

Daar is niets aan veranderd.
En dat schenk ik mijn dochter ook.
Ik zal het niet meer zeggen.

Bowlen

Onze dochter wil graag een keer bowlen op het vakantiepark. Met de hittegolf over zijn piek en ons verblijf bijna ten einde reserveren we een baan.
‘Nodig G. en zijn zusje ook maar uit,’ zeggen we.

Bucketlist
Met G en zijn zusje is ze bevriend, al sinds de dag van aankomst.
Het is voor ons gebleven bij oppervlakkige groeten uitwisselen met G’s ouders. Ik beschouw kennismaken ondertussen als een gepasseerd station.
Kennismaken staat daarnaast niet op onze vakantie-bucketlist.

‘Wij vinden bowlen ook heel leuk’, zeggen G’s ouders. We maken expliciet duidelijk dat de uitnodiging van onze dochter alleen de kinderen betreft.
Denken we.
Als we G en zijn zusje ophalen komen ze mee.

Smalltalk
Enigszins verbouwereerd trek ik mijn bowlingschoenen aan.
Ik wil er niet te zwaar aan tillen. Ik heb voor heter vuren gestaan dan een ongepland uur smalltalk met mensen die uit eigen beweging meebowlen.
Soms komen de mooiste gesprekken uit onverwachte ontmoetingen, zeg ik tegen mezelf.

Dit is niet zo’n ontmoeting.

Dubbeldip
Hij biecht met schuchtere blik een bowlingverleden op.
‘Eén van onze eerste dates was een avond bowlen,’ zegt zij, met een sluimerend restje trots in haar ogen. Het heeft iets innemends, maar het verklaart niet waarom ze spontaan bij ons aanklampen, en hij wint ook niet.

De rest van de tijd moedigen we elkaars kinderen aan en wisselen irrelevante vakantiepark-ervaringen uit. Op een schaal van ‘totale ramp’ tot ‘diepe verbondenheid’ scoort het uur een oppervlakkige ‘naar omstandigheden redelijk gezellig’.

Zij doopt snacks waar ze al een hap van heeft genomen opnieuw in de saus. Het is meer opgedrongen intimiteit dan ik aan kan.

Vraag
Na afloop evalueren mijn vrouw en ik de kennismaking.
‘Hebben ze jou een vraag gesteld? Over wat dan ook?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt mijn vrouw, ‘Al die tijd niet, nergens over. Jou?’
‘Niets,’ zeg ik.

Rijk

Mijn vrouw belt me, ze is in Amsterdam onderweg met de metro.
‘We worden nooit rijk,’ zegt ze, als ik heb opgenomen.

Prijs
Wat is er aan de hand? Is ze beroofd?
Ik bespeur geen paniek in haar stem, er moet iets anders aan de hand zijn.
Misschien is haar telefoon kapotgevallen en moeten we een godsvermogen uitgeven aan een nieuwe.
Nee, natuurlijk niet, ze belt er mee.
Misschien heeft ze zojuist ontdekt dat er een gigantische prijs is gevallen op een postcodeloterij-lot dat we hebben opgezegd.

Geluk
‘Ik heb vijf euro gegeven aan een zwerver die op mijn vader leek.’
Opgelucht haal ik weer adem.
Is dat alles?
We worden inderdaad niet rijk.

We zijn het al.
Op de ‘We hebben een dak boven ons hoofd en een heerlijke tuin, we kunnen op vakantie, we zijn blij met onze kinderen en onze vrienden en met alles wat we hebben, en meer van zulks’-manier.

Bennie
Van weinig heb ik spijt, maar als ik de tijd terug kon draaien zou ik vaker geld geven aan Blinde Bennie.
Ik wist pas dat hij zo heette toen ik over zijn overlijden in het Parool las.
Blinde Bennie maakte muziek met een buikorgel, in de buurt van de Dam in Amsterdam. Ik werkte op honderd meter afstand van zijn vaste stek bij de Oude Kerk, ik kwam hem in mijn pauzes tegen.

Bij zijn aanblik overspoelde me een golf van verdriet. Liefst keek ik recht voor me uit als ik langs hem liep, of ik koos een andere route, om tranen te vermijden.
De oorzaak van die intense emotie is me tot heden een mysterie. Een onverwerkt trauma uit een vorig leven wellicht. Ik weet het niet en het maakt me niet uit. Ik hoef niet meer alles te snappen.

En als ik hem ontweek gaf ik hem natuurlijk niks, waar ik me dan weer schuldig over voelde. Het was een complexe relatie die ik had met straatmuzikant Bennie, al kenden we elkaar niet.

Kroeshaar
‘Hij had precies het haar van mijn vader. En ik had niet kleiner dan vijf euro,’ zegt mijn vrouw.

Wij geven doorgaans alleen geld aan oudere dakloze mannen met grijs kroeshaar. Is dat discriminatie?
‘Ik vind het juist rijkdom,’ zeg ik, ‘als je vijf euro weg kunt geven.’
Daar is ze het mee eens.
Het is deze keer ook een beetje voor Bennie, denk ik er achteraan.

Bubbel

Ik loop na het avondeten met mijn dochter de deur uit. De zon schijnt, het is aangenaam warm buiten. We hebben een grijper mee en een plastic zak voor het zwerfafval dat we van plan zijn op te rapen in de buurt.

Bosjes
Ik woon hier nog niet lang genoeg om me af te vragen wat de buren daarvan vinden, en mijn dochter heeft nog niet de leeftijd om zich voor haar moeder te schamen.
En ik heb me voorgenomen om vaker bij te dragen aan een schonere, betere wereld.
Een druppel op de gloeiende plaat zijn.

Tevreden met mijzelf pak ik blikjes en flarden plastic op. Mijn dochter speurt enthousiast in de bosjes naar zwerfies.

Awkward
Dan passeren we het huis van een collega.
Ik vraag me onwillekeurig af wat hij zal denken als hij mij ziet.
Zou hij het stom vinden? Raar?
Ongepast? Wereldvreemd?
Misschien leef ik wel een bubbel. Een bubbel waarin het normaal is op troep op te ruimen. En daardoor loop ik nu vrijwillig op straat het risico raar gevonden te worden door collega’s uit een andere bubbel.

Ineens voelt het afval rapen wat awkward, om met de woorden van mijn dochter te spreken.

We vinden drie Antaflu-wikkels. Een leeg pakje sigaretten. Nog meer blikjes. De grijper raapt alles op.

Hardnekkig
Ik wil me niet awkward voelen als ik iets doe waar ik achter sta.
Never explain yourself, to anyone. Een prachtig streven. Een kunst die ik nog onvoldoende versta.
Schaamte is diep ingebakken en even hardnekkig als zwerfvuil. Het verdwijnt niet, hoe vaak ik ook tegen mezelf zeg dat schaamte nergens voor nodig is, en er voor de zoveelste keer afscheid van neem.

Hup, de zak in ermee.

Inefficiënt
Alles wat we geraapt hebben gaat thuis in de vuilnisbak.
Ongesorteerd. Dat geeft te denken. Had ik het plastic apart moeten houden? Had ik mijn vondsten moeten registeren in de daartoe uitgevonden app?
Was dit wel zinvol?
Ik vind mijzelf een hoogst inefficiënte druppel.

Maar ik heb nog meer motto’s om naar te leven, die ik gelukkig wat beter beheers. Focus op het positieve, bijvoorbeeld.
Ik loop na het avondeten met mijn dochter de deur uit. De zon schijnt, het is aangenaam warm buiten.

Huisdier

Mama, ik wil een huisdier.
Sorry schatje, een hond en een poes kunnen niet, dan moeten we ook steeds oppas zoeken als we op vakantie of een weekendje weg gaan, daar beginnen we niet aan.

Knuffelen
Een hamster dan, of een ratje? Of een cavia, of een konijn? Ik wil een konijn, X heeft ook een konijn, alsjeblieft mam!
Nee schatje, ik wil geen dier in een kooi. Dieren horen niet in een kooi.
Een vis dan? Mag ik vissen? Of mag ik een axolotl?
Nee schatje, je wou toch iets om te knuffelen, met vissen en axolotls kun je niet knuffelen. En ik ga echt geen aquarium schoonmaken.
Maar de axolotl van Y krijgt baby’s en hij verkoopt ze en ik wil er eentje mama, PLEASE?
Nee, sorry liefje, geen dieren, ook geen axolotls.

Oneerlijk
Het enige grappige aan deze steeds terugkerende conversatie vind ik het woord axolotl, dat ik stiekem niet vaak genoeg kan zeggen, maar dan toch vooral in de context GEEN AXOLOTLS. Mijn dochter vindt er niets grappigs aan.
Ze stampt boos en verdrietig weg.

Net als ik vroeger, toen ik precies ditzelfde gesprek met mijn eigen moeder voerde, op de axolotls na, want van axolotls had ik nog nooit gehoord.
Ik weet nog hoe ik de onverzettelijkheid van mijn moeder haatte, die vond dat dieren niet in kooien horen, hoe ontzettend oneerlijk ik het vond dat iedereen huisdieren had behalve ik.

Beslissing
Ik snap mijn dochters verdriet.
Ik zal me vast hebben voorgenomen dat als ik zelf later kinderen had, ze alle huisdieren van de wereld mochten.
Maar ik vind nu ook dat dieren niet in kooien horen. En een poes zou ik nog wel willen, maar mijn vrouw niet, die wil een hond, en dat wil ik niet.

We beloven een definitieve beslissing, om van het gezeur af te zijn, en bespreken de kwestie eerst zonder haar.

‘Als er een huisdier komt,’ zo stel ik, ‘hou ik me er verre van. Ik maak geen kooien schoon, ik verzorg niets, en ik ga ook geen oppas regelen als we met vakantie gaan. You’re on your own.’
Ik ken een stel dat op die manier kinderen kreeg. Hij zegde met tegenzin toe, onder de voorwaarde dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor het verschonen en voeren zou dragen, en aldus geschiedde.

Ratje
Mijn vrouw vindt het verdriet van onze dochter vele malen zieliger dan dieren in kooitjes. Maar ze ziet toch ook wel tegen het gedoe op.
Er komt geen huisdier, besluiten we. De discussie is nu definitief beklonken. Het hoge woord moet eruit.
Poot stijf houden, even doorbijten, de toorn van ons kind weerstaan.

Ik doe de mededeling.
Huilend vertrekt dochter naar boven.

‘Ik beloof dat we het er toch nog een keer over zullen hebben, oké?’ roept mijn vrouw er achteraan.

Ik hoop dat ze een ratje kiezen, dan kan ik er lekker mee knuffelen als iedereen van huis is.

Wachtkamer

Ik trek een nummertje om bloed te laten prikken.
Het is vijf voor half negen. Ik heb nummer 17, op het bord staat nummer 11. Ik heb een klein beetje haast, want straks een telefonische vergadering. Zes wachtenden voor me, dat moet lukken.

Planning
Relax, groet de andere wachtenden, ga rustig zitten.

Ik had bloedarmoede, zo bleek laatst, ik moest aan de ijzerpillen. Na zes en twaalf weken opnieuw prikken.
Die zes weken werd acht weken, want het is geen sinecure om een goed prikmoment te vinden als je maar op één locatie terecht kunt, en er op die locatie slechts anderhalf uur per dag wordt geprikt op een behoorlijk incourant tijdstip, en je daarnaast eigenlijk ook nog een leven hebt met werk en schoolgaand kind en to-do-lijstjes, en plannen niet je sterkste kant is.

Zucht
Maar hier zit ik dan.

Twintig minuten later is nummer 13 aan de beurt.
Instagram checken. Facebook lezen. Twitter lezen.
Terug naar Instagram. Daar is in de afgelopen drie minuten niets nieuws geplaatst. Op Facebook ook niet. Op Twitter ook niet.
Ingehouden zuchten. Low-key theatraal op mijn horloge kijken terwijl ik op mijn telefoon ook kan zien hoe laat het is.

Bijensterfte
Maak je niet zo druk, geniet gewoon even van je rust. Wie maakt je wat?
Ja, dat is waar, ik hoef me niet op te winden. Iedereen zit hier ook maar gewoon zijn best te doen. En ik heb nog genoeg tijd.

Verdorie. Hoe kan het tien minuten per persoon duren om wat bloed af te nemen?! Zit de kamer vol bloedprikleerlingen, die om de beurt een poging mogen wagen? Bespreken prikker en geprikte de bijensterfte, het weer en de vluchtelingenproblematiek? Drinken ze er gezellig een kop thee bij?

Uitdaging
Adem in, adem uit.

Die ijzerpillen zijn een planningsissue op zich. Ik dien er drie per dag te nemen, op lege maag of twee uur na het eten. En dan mag ik na inname ook nog eens een half uur niet eten.
Ik moest het drie keer lezen en nog wist ik niet wanneer ik ze moet nemen.

Een lege maag is bij het opstaan nog wel te regelen.
Maar de rest van de dag bestaan er geen momenten dat ik a) twee uur niet heb gegeten en b) nog eens een half uur niet eet.
Tenzij ik op dieet ga, maar dan krijg ik nog minder ijzer binnen dan nu blijkbaar het geval was.

Afgevoerd
Tien voor negen. Nummer 14 verschijnt op het bord.
Nummer veertien is waarschijnlijk nog voor mijn komst gestorven van verveling en afgevoerd, want niemand roert zich.
Nummer vijftien mag zich meteen daarop melden in de prikkamer, de nummers zestien en daarboven doen een vreugdedansje. Tijdwinst! 

Eindelijk, eindelijk, eindelijk mag ik naar binnen.
Snel mijn ID afgeven, arm bloot, het tempo hooghouden.

Tweeling
‘Wat is je geboortedatum?’
Die staat op de ID die ik je net gaf, maar oké, ik ben de kwaadste niet vandaag, ik geef ‘m.

‘Ben je er een van een tweeling?’
Nee, nog steeds niet, net als acht weken geleden, en al die keren daarvoor dat ik geprikt werd trouwens ook niet, staat dat nergens in het systeem of zo? Of gebeurt het regelmatig dat mensen hun leven slijten in de veronderstelling dat ze een eenling zijn, tot plots een onvermoede tweelingzus of -broer op de stoep staat?

‘Hoi, wij kennen elkaar niet, maar ik ben je tweelingzus.’
‘Oh shit, echt? Dat moet ik doorgeven, ik heb net bloed laten prikken.’

Vier minuten later sta ik geprikt en wel weer buiten.
Op tijd voor de vergadering. Maar daar denk ik pas uren later weer aan.