Contact

Deurgreep

Het lastige aan schrijven over mijn leven is dat er veel mensen in mijn leven zijn die misschien helemaal niet zo expliciet met hun wel en wee in mijn blog willen voorkomen. Ik doe aan struisvogelpolitiek: ik vraag niet of ze het leuk vinden.

Nietsontziend
Er heerst een overtuiging dat je nietsontziend moet zijn, als schrijver. Maar ik voel grenzen. Ik anonimiseer een beetje en hoop dat niemand er over valt.
Dat lukt natuurlijk maar tot op zekere hoogte. Van partners en gezinnen bijvoorbeeld heb ik er maar één.
En ik schrijf juist zo graag over wat ik met anderen mee maak.

BBQ-saus
Echt problematisch is die censuur-kwestie overigens momenteel niet. Tussen voetoperatie, werk, een verbouwing en een verhuizing door heeft mijn sociale agenda de levendigheid van een pas gestorte zandcementen dekvloer.

Ik heb meer werklui gezien de afgelopen maanden dan vrienden, meer woonwinkels en doe-het-zelf-zaken dan restaurants. De schafthoek van de klussers daargelaten, met hun beduimelde koffiezetapparaat, een bovenmaats tosti-ijzer en een fles BBQ-saus op een plank op schragen.

Groot respect heb ik voor wat ze maken (in mijn huis, niet in het tosti-apparaat). Maar inspiratie bieden de conversaties over het aantal wandcontactdozen en hun locatie mij niet.

Laminaat
Al die keuzes, het is hemeltergend. Met elke knoop die we doorhakken ontstaat een volgend dilemma. Wat komt er op de slaapkamervloer? We willen allebei iets anders. Voors en tegens afwegen, besluit nemen. Het wordt laminaat.
Opluchting, hoofdstuk afgesloten.
Dacht ik.
Maar het moet nog worden gekocht en daarvoor moet je naar winkels. Daar had ik even niet bij stilgestaan.
En dat is nog maar het begin.
Welke kleur laminaat? Met of zonder groef? Leggen we het in de breedte of de lengte? Platte of opstaande plinten? En door, naar de muren en de raambekleding, en de volgende kamers, waar weer nieuwe vragen wachten.

Mening
Het doorzettingsvermogen waarmee mijn vrouw al wekenlang op internet naar bakelieten deurgrepen zoekt neemt ondertussen verontrustende proporties aan. Ik heb ook meer screenshots van bakelieten deurgrepen gezien dan vrienden.

Oh help, dit was misschien iets te nietsontziend.
Ik kan er niets aan doen. Ik heb simpelweg geen puf meer om na te denken over mijn of andermans grenzen. Een mening heb ik trouwens ook niet meer.
Bij de eerstvolgende deurklink die ze me laat zien zeg ik: bestellen. Nu.

Project

‘Waar beginnen ze aan? Ik krijg al stress als ik er naar kijk,’ denk ik doorgaans, als we met een aangename mengeling van afschuw en fascinatie kijken naar uit de hand gelopen verbouwingen in ‘Bouwval gezocht’. Wat we graag doen.
Zelf kochten we een goed onderhouden huis uit de jaren vijftig, waar niets aan mankeerde. Nou ja, als je aan de oppervlakte keek dan.

Schroevendraaier
De keuken in ons nieuwe huis willen we niet. Een echtpaar komt er op af, al twee jaar zoeken ze op Marktplaats een keuken van precies deze maat. Ze kunnen snel terugkomen om hem mee te nemen. Ik ben opgelucht, en zak zonder al te veel protest flink in prijs.

De man van het stel komt de keuken een paar dagen later ’s avonds ophalen. Vier jongens volgen in zijn kielzog. Ze torsen een accuboor en een setje schroevendraaiers van de Action mee, nog nieuw in de verpakking.
‘Zullen we eerst even afrekenen?’ zeg ik, en sla alle pogingen om nogmaals in prijs te zakken dapper in de wind.

Project
‘Wauw, mevrouw, dat is een flinke verbouwing,’ zegt één van de jongens prijzend. Hij inspecteert de gestripte plafonds, de losse radiatoren en de bouwput naast de keuken, waar net beton in is gestort.
Mijn eigen ‘Bouwval gezocht’. De verbouwing behelst wat meer dan gepland, en dat is een understatement. Maar we houden moed.
‘Ja he?’ zeg ik opgewekt, ‘het is nogal een project.’
Dat we over drie weken al moeten verhuizen zeg ik niet.

Ze werpen zich op het demonteren van het keukenblok. Na een kwartier laatjes open en dicht trekken en wat snijden in de kit (een nieuw stanleymes hebben ze ook mee) komt de jongen die onder de indruk was van de chaos naar me toe. Er is welgeteld één ladefront los, dat niet los had gehoeven.
‘Mevrouw, kent u iemand die de keuken er voor ons uit kan halen vanavond?’
Helaas, nee, die ken ik niet.
Hij gaat iemand bellen.

Nieuw haar
‘Ja, nee, je moet komen, je komt niet voor niets, je komt echt voor iets, je weet toch. Wacht, ik geef je de Bolle’, hoor ik hem in de gang zeggen. De jongen die de Bolle wordt genoemd komt even later op me af. Hij heeft inderdaad een flink postuur.
‘We hebben geslijmd’, zegt hij met een knipoog, ‘over anderhalf uur is hier iemand die weet hoe het moet.’

Anderhalf uur later wordt de keuken in een oogwenk vakkundig uit elkaar gehaald en een busje in gedragen door het gezelschap.
Maar niet door de Bolle.
‘Ik mag me niet inspannen,’ zegt hij. ‘Ik heb net nieuw haar.’
Hij toont me de bovenkant van zijn schedel.
‘Ziet er goed uit,’ zeg ik beleefd. Ik heb geen idee waarom hij mee is.
‘Zeven uur in een stoel gezeten voor dit stukje haar, was echt zwaar. En die prikken waren pijnlijk hoor, je weet toch. Over een half jaar moet ik terug voor de rest.’

Tegen die tijd is onze verbouwing denk ik ook wel klaar.

Geitenstal

Ik heb er jaren over gedaan om te begrijpen wat een retorische vraag is. Een vraag die wel wordt gesteld, maar niet beantwoord dient te worden. Dat is bijzonder onlogisch, niet?
En net nu ik het concept in de vingers krijg, is er een variant bijgekomen – denk ik – en nu ben ik het spoor weer bijster.

Kortsluiting
Het gaat om een gemuteerde versie van: ‘Wat leuk voor je.’ Een voorbeeld, om er even in te komen.
Collega: ‘We gaan volgende week naar een geitenboerderij in Zwitserland, we slapen daar in een appartementje in de stal. De kinderen mogen helpen geiten melken.’
Andere collega: ‘Hoe leuk is dat!’

Huh? Wat bedoelt ze met ‘hoe leuk is dat’? Er ontstaat innerlijke kortsluiting. Is dit een vraag? Taaltechnisch gezien misschien wel, maar de zin wordt duidelijk uitgesproken als een bevel: ‘Dit is leuk zeg! Dat vindt toch ieder weldenkend mens!’
Ik weet niet of ik me geïntimideerd moet voelen of antwoord moet geven. En indien dat laatste, moet ik dan nu zeggen hoe leuk ik het precies vind? Op welke schaal dan?

Jonge geitjes
Ze kletsen vrolijk verder, alsof er niet net een commanderende vraag is gesteld. Een vraag waar blijkbaar niemand het antwoord op wil weten. Maar de beer is los.
Terwijl ik me op het gesprek probeer te concentreren buitelen mijn gedachten als jonge geitjes over elkaar heen. Is dit leuker dan bijvoorbeeld slapen in een luxe penthouse? En hoeveel leuker is het dan slapen op een geitenboerderij in Frankrijk, of in Kroatië? Ik probeer me een appartement in een geitenstal voor te stellen. En maken geiten ’s nachts veel lawaai? Moeten de kinderen vroeg opstaan om te melken en willen ze dat wel, in de vakantie?
Hoe leuk is dit eigenlijk?

Zucht.
Hoe de kinderen van collega’s heten weet ik doorgaans al na een dag niet meer. Soms weet ik – sorry daarvoor – niet eens meer zeker of ze ze hebben. Maar reken maar dat ik me de geitenmelkvakantie in de bergen nog jaren herinner.

Onzinnig
‘Dat je dat nog weet! Jij onthoudt ook echt alles,’ hoor ik dan.
Nee, integendeel, ik onthoud niks. Niks relevants in ieder geval.
Alleen de nutteloze informatie blijft hangen, doorgaans met dank aan innerlijke spin-offs van gesprekken. En die had ik al meer dan genoeg voordat mensen aan kwamen zetten met zinnen als: ‘Hoe gaaf is dat!’
Zeg zou zelf: daar moeten we toch snel vanaf?

Verzameling

Ik staar bij het uitruimen van een zoldertje in een schoenendoos vol oude luciferdoosjes, die ik ooit heb verzameld. Ik was vergeten dat ik ze had bewaard.

Verzameldrift
Je kunt het zo gek niet bedenken of er is wel iemand die het spaart: suikerzakjes, munten, bierviltjes, stickers, gummen, postzegels, boekenleggers, sleutelhangers. En luciferdoosjes.
Ik bijvoorbeeld spaarde dat allemaal, en nog veel meer. Toen ik op mijn negende mijn verzamelingen telde bleken het er zeventien te zijn. In de jaren die volgden temperde ik mijn verzameldrift en verdwenen er bij elke verhuizing een paar van het toneel. Ik hou van consuminderen, van visuele rust om mij heen, van ballast afwerpen. Je kunt beter mooie herinneringen sparen dan mooie spullen, dat idee.
En we gaan kleiner wonen. Er moet worden opgeschoond.

Vergeten merken
In het boek van opruimgoeroe Marie Kondo, dat ik jaren geleden geheel in ontspullende stijl als e-book kreeg, maar dat ik nog steeds niet heb gelezen, schrijft Marie dat je alleen spullen moet bewaren die je gelukkig maken.
Ik hou stiekem nog steeds van verzamelen, maar dat is vast niet wat ze bedoelt.

Ik grabbel geamuseerd rond tussen de luciferdoosjes. Ze verhalen van oude supermarktketens, nog niet gefuseerde banken en vergeten logo’s uit de jaren tachtig. Van alle mensen die toen om mij heen waren en ze voor me mee namen, tot uit Australië aan toe. Van tijden dat lucifers werden gebruikt om aan tafel in het restaurant een sigaret mee op te steken.

Magisch
Ik zie de familie-etentjes in buffetrestaurant Hoog Catharijne weer voor me, waar de lucifers – en dit was een zeer verzamelwaardig aspect – groene en oranje kopjes hadden. Waar ik na het leegeten van het toetjesbuffet een zilverknisperende ballon gevuld met helium mee naar huis kreeg. Het meest magisch vond ik het als de ballon daags erna halverwege vloer en plafond zweefde.

Grappig, ik heb minstens dertig jaar niet aan die ballonnen gedacht. En het is vermakelijk hoe elk luciferdoosje een andere herinnering oproept.
Maar intens gelukkig word ik er niet van. Doe weg, zegt Marie. Herinneringen blijven ook zonder de bijbehorende spullen bestaan.

Steekvlam
Op Marktplaats had tot mijn teleurstelling niemand interesse in een doos licht ontvlambare nostalgie, dus we hebben ze met een berg andere spullen afgegeven bij de kringloopwinkel.
Misschien zijn ze in de vuilnisbak beland, of gebruikt een medewerker de lucifers thuis voor de kaarsen. Het zijn mijn zaken natuurlijk niet meer. Maar ik hoop toch nog het meest dat iemand, net zo nieuwsgierigheid naar het effect als ik en met meer lef, de schoenendoos op de achterplaats in de fik heeft gestoken. Is vast een mooie herinnering geworden.

Verhuizen

Ik werd, bij gebrek aan eigen mobiliteit, naar werkafspraken gereden door chauffeurs, de afgelopen weken. Dat vond ik een grote luxe, ondanks die ene keer dat de chauffeur en de auto misselijkmakend naar rook stonken. En ondanks mijn getwijfel over hoe lang ik de conversaties elke rit moest laten duren voor ik en mijn beperkte smalltalk-kunsten uit het raam konden gaan staren.

Culturele armoede
De roker was onderweg stil, en hij verwachtte ook van mij nadrukkelijk geen gesprek. Dat was een pluspunt, dat de rooklucht bijna goedmaakte. De anderen waren aanzienlijk minder zwijgzaam aangelegd. Maar door veel vragen te stellen, die ik afwisselde met zakelijke telefoongesprekken, had ik evenwel gezellige ritten.
Beleefd luisterde ik op de achterbank naar de belevenissen en ambities van de chauffeurs.

‘Ik woon nu twee jaar in Assendelft’, zei er eentje, ‘en ik vind het er verschrikkelijk. Je kunt er na tien uur ‘s avonds niet eens een pizza laten bezorgen!’ Hij was tot op het bot verontwaardigd over zoveel provinciaal vertoon. ‘En er is grote culturele armoede daar. Niets te beleven. Ik wil terug naar Amsterdam.’
Ik kon me zijn frustratie goed voorstellen, al heb ik rond middernacht nooit trek in een pizza.
Zijn vrouw vond het er trouwens heel prettig, zei hij, en de teleurstelling sijpelde door zijn woorden heen. Het was daar zo lekker rustig.
Daar kon ik me ook wel wat bij voorstellen, maar dat zei ik niet.

Verhuizen
Ik ben deze chauffeur en zijn vrouw ineen, waar het mijn eigen woonplaats aangaat. Het antwoord op de vraag ‘Waar woon je?’ geef ik doorgaans op deze toon: ‘Ik kan er ook niets aan doen dat ik daar ben terechtgekomen en heus, we zouden er ook best weer weg willen, maar ja, we wonen er nou eenmaal.’ Het zal je verbazen hoeveel lading ik kwijt kan in het uitspreken van het woord Purmerend.
Ik mis de stad, maar ik wil er niet meer wonen. Ik hou van de hei, maar ik wil het leven van mijn dochter niet overhoop halen. En ik woon hier prima.
Maar ik heb mijn hart er niet aan verpand.

En nu gaan we verhuizen. Naar de Zuidoostbeemster. Geen stad, geen hei. Weilanden heeft het, een paar duizend inwoners, een dorpshuis. Drie keer vallen en je rolt Purmerend binnen. En ik weet zeker dat ik er na tien uur ’s avonds geen pizza kan bestellen.
En toch… om de een of andere rare reden waar ik de oorzaak nog niet van heb achterhaald maakt de zin ‘Ik woon in de Zuidoostbeemster’ me heel blij. En ik woon er nog niet eens.

Openbaar vervoer is er wat minder goed geregeld. Maar ach, tegen de tijd dat we verhuizen chauffeur ik mijzelf weer in het rond, in stilte.

Rijm

Rond 5 december, een publiek geheim
Schrijf ik mijn stukken graag op rijm
En zoals het hoort bij een sinterklaasgedicht
Ben ik voor een terugblik gezwicht

18 oktober vorig jaar
Zette ik mijn eerste blog hier klaar
Ik vertelde het nog niet aan anderen
Maar dat zou snel veranderen

Spannend was het, dat geef ik toe
Een groentje was ik, in het online leven
Maar gelukkig is het niet bij de eerste gebleven
En ik ben het schrijven nog niet moe

Alles kwam voorbij in mijn monoloog
Of het nou verdrietig was of fijn
Worstelingen, groot en klein
Muizenissen,
Hindernissen,
Of hoe ik soms mijzelf bedroog.

Reacties kreeg ik, positief
En steeds meer mensen lazen mee
De complimenten waren reuzelief
Ik wist mij gesteund voor twee

Soms vraag ik me af: wat bezielt me,
Is het niet een beetje tè,
Alles open en bloot te delen,
Zou dat niemand gaan vervelen?
Maar schrijven kan ik toch niet laten
Dat had ik al heel jong in de gaten

En sja, ik geef het ruiterlijk toe
Van mijn gedachten word ook ik wel eens moe
Meerdere rijmschema’s in een gedicht, kan dat wel?
En het metrum loopt voor geen meter
Dit moet eigenlijk beter
Maar gelukkig, wat mildheid meldt zich snel

En kijk ik er met liefde naar
Dan glimlach ik en ik verklaar,
(en ja, ik stop dit rijmen heel erg gauw
Want anders wordt het echt te flauw)
Bloggen zal ik ook het komend jaar.

Mini-retraite

Ik werd aan mijn voet geopereerd, en moest gedwongen een paar weken rust houden. Het zou een pijnlijk herstel worden, zo was het vooruitzicht, maar ik bekeek het van de zonnige kant. ‘Ik zie het als een mini-retraite’, zei ik tegen een collega.

Eindelijk even geen werk- en huizenstress. Ongestoord overdag mediteren, de woonbladen lezen die ik had verzameld ter inspiratie voor het nieuwe huis, ontspannen leren voor een wat onhandig gepland examen in de week na de operatie. De afgelopen maanden waren druk geweest, ik was toe aan rust.

Vegeteren
Vijf dagen zijn verstreken sinds de operatie. Ik begin mijn bedenkingen te krijgen bij deze kleine sabbatical. Ik klaag niet, want je kijkt een gegeven rustmoment niet in de bek, maar wat is dit voor retraite, waar ik in houding alleen kan kiezen tussen zitten met gestrekt been of op mijn rechterzij liggen? En de huiskamer, waar ik overdag op een stukje bank lig te vegeteren, is niet bepaald het epicentrum van rust.

Kaal huis
Ik heb geprobeerd te ontspannen, heus. Ik heb de woonbladen gelezen. Na vijf huizen met zachtroze en groene muren en zwart-stalen openslaande tuindeuren voor de industriële look – niet omdat dat nu in is, echt niet, gewoon omdat de bewoners erg van zachtroze en groen houden – had ik het wel een beetje gezien. Ik wil in mijn nieuwe huis geen kale peertjes met quasi-nonchalant opgerolde snoeren boven de eettafel. Of messing, fluweel, draadstalen bijzettafeltjes en ‘de kleur van specerijen’, want ik heb van dat alles een overdosis tot mij genomen.

Gelukkig ben ik voorlopig niet in staat in woonwinkels rond te slenteren. Tegen de tijd dat ik dat weer kan is mijn weerstand hopelijk gezakt. Anders wordt het een heel kaal huis, dat nieuwe huis van ons.

Ochtendzon
Het hoogtepunt van creatief copywriten over wonen was een stukje over de aanbouw van een serre. Om in te ontbijten of te genieten van een goede kop koffie – dit waarschijnlijk voor wie een serre overweegt maar nog niet goed weet wat je daar dan moet doen. Over je daar grondig vervelen met een pijnlijke voet werd niet gerept.
Ik citeer: ‘Ligt de serre op het oosten dan profiteer je vooral van de ochtendzon, op het westen van de avondzon; dit laatste is vooral bijzonder als je vrij uitzicht hebt op de zonsondergang.’
Ik nam deze inzichten gretig tot mij.

Boek
Het opwekkende was dat het met de ontlezing in dit land blijkbaar wel meevalt, want iedereen had een rustige hoek met een vintage leeslamp (bij voorkeur via Marktplaats of de kringloopwinkel verkregen) en een stijlvolle stoel van merk X of Y, ‘waar je fijn een boek kunt lezen.’

Ik wil ook een rustige hoek, waar ik in elke houding die ik verkies een boek kan lezen.
Ik word hier uitstekend verzorgd. Maar mijn volgende retraite boek ik waarschijnlijk toch liever in Spanje, in plaats van in de logeerkamer tussen de verhuisdozen.