Kantoorslaaf

Er is een kantoorpand in Amsterdam waar ik in mijn studententijd naar keek als ik er met de metro langsreed, waarvan ik regelmatig dacht: nooit ga ik in zoiets werken. Wat produceren die mensen daar toch, jaar in jaar uit? Wat voegen ze toe aan het leven van anderen?
Betekent hun dagelijkse administratieve werk iets voor de wereld?

Palmboom
Wie had hen bedwelmd en tot kantoorslaaf gemaakt?
Ik zou niet in die val trappen. Groots en meeslepend wilde ik leven.

De ironie wil dat ik in exact datzelfde pand al bijna achttien jaar werk, wat maar weer eens bewijst dat er in het onderbewustzijn niet zoiets bestaat als ‘niet’.
Het enige meeslepende is dat ik er altijd een laptop naar toe sleep, en het grootse is de tas waarmee ik dat doe.

Toch heeft zo’n baan voordelen.
De wind ruist door de palmbladeren terwijl ik dit schrijf. Dat doet de wind dagelijks, door duizenden palmbomen op aarde, maar vandaag zie en hoor ik het zelf gebeuren, en dat maakt me blij.
Ik kan op vakantie, met dank aan datzelfde kantoorleven.

En ik heb plezier in mijn werk.
Dat is fijn, al is het geen antwoord op de vragen die ik me vroeger stelde.

Universeel principe
Er is geen ‘geen’, geen ‘niet’, als je iets wilt bereiken. Het universum en het onderbewuste bewegen niet richting negatieve doelen.
Energy flows where attention goes.

Opvoedkundig weet ik dat gegeven prima toe te passen.
Zo zei ik altijd braaf tegen mijn toenmalige kleuter dat ze op de stoep moest blijven lopen, in plaats van ‘Niet op de straat!’ te gillen als ze afdwaalde. Het lijkt een onbeduidend verschil, maar blijft het woord stoep in haar hoofdje nagalmen of het woord straat?
Probeer het maar eens uit.

Ach, voor een ander weet ik het altijd beter dan voor mijzelf. Ook een universeel principe. Ondertussen probeer ik nog steeds hard te bedenken wat ik wil worden als ik later groot ben.
In termen van wat ik wel wil, uiteraard, niet in wat ik niet wil, want daar trap ik niet meer in.

Geitenstal

Ik heb er jaren over gedaan om te begrijpen wat een retorische vraag is. Een vraag die wel wordt gesteld, maar niet beantwoord dient te worden. Dat is bijzonder onlogisch, niet?
En net nu ik het concept in de vingers krijg, is er een variant bijgekomen – denk ik – en nu ben ik het spoor weer bijster.

Kortsluiting
Het gaat om een gemuteerde versie van: ‘Wat leuk voor je.’ Een voorbeeld, om er even in te komen.
Collega: ‘We gaan volgende week naar een geitenboerderij in Zwitserland, we slapen daar in een appartementje in de stal. De kinderen mogen helpen geiten melken.’
Andere collega: ‘Hoe leuk is dat!’

Huh? Wat bedoelt ze met ‘hoe leuk is dat’? Er ontstaat innerlijke kortsluiting. Is dit een vraag? Taaltechnisch gezien misschien wel, maar de zin wordt duidelijk uitgesproken als een bevel: ‘Dit is leuk zeg! Dat vindt toch ieder weldenkend mens!’
Ik weet niet of ik me geïntimideerd moet voelen of antwoord moet geven. En indien dat laatste, moet ik dan nu zeggen hoe leuk ik het precies vind? Op welke schaal dan?

Jonge geitjes
Ze kletsen vrolijk verder, alsof er niet net een commanderende vraag is gesteld. Een vraag waar blijkbaar niemand het antwoord op wil weten. Maar de beer is los.
Terwijl ik me op het gesprek probeer te concentreren buitelen mijn gedachten als jonge geitjes over elkaar heen. Is dit leuker dan bijvoorbeeld slapen in een luxe penthouse? En hoeveel leuker is het dan slapen op een geitenboerderij in Frankrijk, of in Kroatië? Ik probeer me een appartement in een geitenstal voor te stellen. En maken geiten ’s nachts veel lawaai? Moeten de kinderen vroeg opstaan om te melken en willen ze dat wel, in de vakantie?
Hoe leuk is dit eigenlijk?

Zucht.
Hoe de kinderen van collega’s heten weet ik doorgaans al na een dag niet meer. Soms weet ik – sorry daarvoor – niet eens meer zeker of ze ze hebben. Maar reken maar dat ik me de geitenmelkvakantie in de bergen nog jaren herinner.

Onzinnig
‘Dat je dat nog weet! Jij onthoudt ook echt alles,’ hoor ik dan.
Nee, integendeel, ik onthoud niks. Niks relevants in ieder geval.
Alleen de nutteloze informatie blijft hangen, doorgaans met dank aan innerlijke spin-offs van gesprekken. En die had ik al meer dan genoeg voordat mensen aan kwamen zetten met zinnen als: ‘Hoe gaaf is dat!’
Zeg zou zelf: daar moeten we toch snel vanaf?