Ruggenprik

Ik had ooit een verloskundige, aan wie ik in een vroeg stadium van de zwangerschap vragen stelde over bevallen met pijnbestrijding. Ik wilde al mijn opties openhouden.
‘We coachen je er tegen die tijd wel doorheen hoor, ‘zei ze, ‘we zorgen dat je in je kracht staat.’

Dreigement
Mijn uitgangspunt is dat iedereen de beste intenties heeft, ook vrouwen die mij in mijn kracht willen zetten als ik de voorkeur geef aan een ruggenprik tijdens een bevalling, dus ik deed mijn best niet geïrriteerd te reageren.
‘Dat geloof ik graag’, zei ik, ‘maar ik geef de voorkeur aan de mogelijkheid van pijnbestrijding.’

Ik ben vóór ecologisch verantwoord en alles, maar er zijn grenzen aan de hoeveelheid natuurlijk die ik kan verdragen.
‘Dan kunnen wij je bevalling niet begeleiden,’ zei ze, met een ondertoon die het midden hield tussen een dreigement en het onderdrukken van een gepikeerd ego. ‘Dan moeten we je overdragen aan het ziekenhuis.’
Fine with me.

Neurodiversiteit
Voor zover ik ooit positieve associaties heb gehad met de term ‘in je kracht zetten’ waren die voorgoed verdwenen.
Groot was dan ook mijn schrik toen ik vorige week voor een artikel in een dagblad iets over autisme mocht vertellen, en de journalist in een conceptversie aangaf dat het netwerk neurodiversiteit van mijn werkgever ernaar streeft mensen met autisme ‘in hun kracht te zetten.’

‘Je zou me er heel blij mee maken als je die term vervangt,’ schreef ik, hoewel het geen quote van mij was en ik er dus niets over te zeggen had.

In de definitieve versie van het stuk worden vooral mijn wat kneuzige kanten belicht, maar daar kan ik mee leven. Ze heeft de gewraakte passage aangepast en het is een mooi artikel geworden.

Aanpassing
Wat blijft knagen is dat een gerenommeerd journalist uit vrije wil met zo’n term op de proppen komt. Speurwerk verricht. Blijkt dat mijn werkgever dit zelf op een website heeft staan.
Au.
Ik moet snel in gesprek met HR, en ze door een tekstuele aanpassing coachen.

Ballen

‘Wat doe je voor werk?’ vraagt ze.
‘Ik zit op het beleggingsverzekeringendossier,’ zeg ik na enige aarzeling, want ik weet niet hoe ik mijn werk anders moet omschrijven.
In gedachten zie ik mezelf op een dossiermap zitten.

Afwisseling
Nee, dat is onzinnig. Het dossier gaat al een tijdje mee. Bovenop een goedgevulde dossierkast zit ik, een beetje gebukt, mijn hoofd tegen het plafond.
‘Ik ben een soort spin in het web.’
Ik hou op me voorstellingen te maken van wat ik zeg.

Dan som ik mijn nevenactiviteiten op het werk op, die omvangrijk in aantal zijn, en meld dat ik parttime werk, want daarbuiten wilde ik een coachpraktijk oprichten en veel in opdracht schrijven, al komt het daar niet erg van.
‘En ik heb een blog,’ zeg ik.
Ze blijft stil.
‘Ik hou van afwisseling.’

Planten
De hoeveelheid activiteiten maakt een wat hysterische indruk. Ik heb ook nog een gezin, en een huis, en wasgoed. En vrienden en familie waar ik tijd mee doorbreng, en een stuk of dertig planten om voor te zorgen, al noem ik die niet, want planten en wasgoed heeft ze zelf vast ook.

Ik zie aan haar dat het indruk maakt, deze waslijst aan bezigheden. Ik moet wel enorm georganiseerd en kundig zijn om al die ballen met succes in de lucht te houden. Ik stijg zowaar ook eventjes in mijn eigen achting.

Opluchting
Tot ik aan mijn to-do-list denk.
Ik ben tot op het bot gestructureerd. Ik heb een notitieboekje, waar ik onder meer een maandelijkse to-do-list in bij hou. En mijn agenda is altijd bijgewerkt, zonder agenda ben ik nergens.

Maar ik ontbeer talent voor plannen uitvoeren. Zo schuif ik, heel ordentelijk, al vier maanden het actiepunt ‘afspraak maken bij de kapper’ vooruit in mijn boekje.
Ik kan me er niet toe zetten. Pas als ik echt helemaal niets anders meer aan mijn hoofd heb waag ik schoorvoetend een poging. Wannéér moet ik dan gaan, wat was mijn wachtwoord voor de website van de kapper ook alweer, heb ik er die dag wel puf voor, balen, als ik kan kunnen zij niet, en was ik er nou altijd twee of drie uur mee zoet?
Het komt voorlopig niet goed uit. Denk ik. Ik weet het niet.

De beste oplossing die ik kan bedenken: ik schrijf het bij mijn to-do’s voor volgende maand.
Opluchting. Wie dan leeft, wie dan geknipt wordt.

Super
Gelukkig is dit geen sollicitatiegesprek, het is een kennismaking in het kader van één zo’n nevenactiviteit. Je ziet mijn gebrek aan executieve functies nergens aan af, behalve aan de highlights die tot vlak boven mijn schouders zijn uitgegroeid.

Mijn uitgroei en ik waren in ieder geval op tijd voor onze door haar ingeplande afspraak. Supergeorganiseerd ben ik.

Appel

Uit nieuwsgierigheid naar de geografische spreiding van mijn voorouderlijke genen besluit ik wangslijm af te staan aan een commerciële DNA-bank.
Wellicht razen er volkeren uit verre landen door mijn bloed, avonturiers die eeuwen terug vanuit andere continenten de wereld introkken en in de lage landen neerstreken.

Admiraal
Ik word overstelpt met matches. Tientallen achterneven en -nichten in de derde tot de vijfde graad hebben ook wangslijm ingestuurd en worden mij voorgesteld.

Ik vind een ver familielid uit Canada, een oude man die beweert dat ik via mijn oma van vaderskant afstam van admiraal en zeeheld Michiel de Ruijter.
Hij stuurt me foto’s van zijn handgeschreven stamboom, in de hoop dat ik de lege takken aan kan vullen, en vergezelt ze van stichtelijke teksten als ‘He has risen’ en een verzoek om te bidden voor twintig kerken die in India zijn afgebrand. ‘Please share xxx means a lot xxx’.

Missing link
Ook neven in de vijfde graad uit eigen land benaderen me met verzoeken om informatie. Ze willen de missing link in onze verwantschap ontdekken, of hun overzicht van families uit Wilsum completeren (van steppenvolken en wortels buiten Europa geen spoor).
Hun drang naar informatie is onverzadigbaar.
Ze gaan ervanuit dat mijn wil om te leveren en mijn interesse minstens zo groot is, want ik heb óók wangslijm ingeleverd, en we zijn immers familie.

Ze raken enthousiast van de ontdekking dat een neef van een opa van hun vader een buitenechtelijk kind van een halfbroer van mijn oma’s oudoom blijkt te zijn, maar ik ben het spoor al na twee generaties bijster. Ik ben de appel die te ver van de boom is gerold, ik deel hun passie niet.

Walvis
In het scheepvaartmuseum wijs ik mijn dochter op een schilderij van Michiel de Ruijter.
‘Deze man is misschien wel een soort over-, over-, over-, overgrootvader van ons,’ zeg ik, met enige trots, maar niet te trots, want met het verleden weet je het nooit.
Daarbij: hij jaagde als zzp-er op walvissen, en ik ben al minstens dertig jaar lid van Greenpeace.

Mier

In de serie onhebbelijke trekjes die ik mijzelf toereken mag die van taalnazi niet ontbreken.
Het is een precair onderwerp, want mijn blogs zijn niet foutvrij, en ik pretendeer niet de spellingswaarheid in pacht te hebben.

Correctie
Daarnaast is het bewezen dat mensen die anderen op hun taalfouten wijzen, minder aardig zijn.

Of in ieder geval minder aardig worden gevonden, al vermoed ik – ik herhaal het nog maar eens – dat dat onderzoek is gedaan onder mensen die veel taalfouten maken, en die al dat ongevraagde gecorrigeer van bemoeizieke betweters zat zijn.

Doorgaans hou ik me in, ik wil niemand een naar gevoel bezorgen.
De kleuterjuf die bij de getekende diamant van mijn dochter het woord ‘diamand’ schreef heb ik er mee weg laten komen.
Bij teksten die een semi-permanent bestaan leiden of door een communicatieprofessional zijn geschreven wordt het moeilijker.

Wil
Het leidt zo ontzettend af.
Als iemand schrijft: ‘We hadden een hele leuke dag,’ denk ik: ‘gelukkig niet een halve,’ en ik lees weer door.
Lastiger wordt het bij: ‘Zij is een hele leuke vrouw,’ want dan denk ik dat óók, en dan zie ik vervolgens een halve leuke vrouw voor me. Maar kies ik dan de linkerhelft of de rechterhelft, onder of boven om te visualiseren? Of is ze maar de helft van de tijd leuk?
Oh wacht, ik was iets aan het lezen.

‘Wilt hij’, mijn maag knijpt ervan samen. Wild word ik daarvan.
Uit een soort zelfkastijding keer ik terug naar de bewuste zin, en ik weeg mijn opties. Moet ik iets zeggen? Hoe kan ik het zo vriendelijk mogelijk brengen, en zonder dat anderen het zien? Met wat smileys erbij, want je weet wel, dat onderzoek.
Of moet ik het laten gaan?
Tijd die ik aanzienlijk nuttiger zou kunnen besteden.

Zelfbehoud
Het gaat om de boodschap, niet om de foutloosheid. Maar ik word fysiek onwel van sommige fouten. Ze leiden af, ze kosten me energie.
Ik corrigeer uit zelfbehoud, het is een egoïstische daad.

Gelukkig kan ik er soms om lachen. Zoals die keer dat iemand tante werd en, zoals een paar jaar terug de hype was, vrij naar de Engelse posters uit de Tweede Wereldoorlog schreef: ‘Keep calm and carry on, I will be an ant.’

Ik heb me ingehouden.
Met zeer, zeer grote moeite, dat wel.

Tesla

‘Wij zagen vandaag 57 Tesla’s,’ zegt mijn dochter tegen een vriendinnetje. Ze vinden het bijzondere auto’s. Onderweg naar huis hadden we in het wegrestaurant boven de A4 een kop soep gegeten, en vele passerende Tesla’s geteld.

Irrelevant
‘Wij waren vandaag naar puppycursus, en wij hebben 77 Tesla’s gezien onderweg,’ antwoordt het vriendinnetje.

Dat kan niet waar zijn, tenzij de cursus onverwacht zo’n 150 kilometer verderop plaatsvond, maar mijn dochter merkt het leugentje niet op, of het boeit haar niet.
Ze vertrekken naar boven en laten de auto’s en de telling voor wat het is. Irrelevant.

Voorbeeld
Over de zin en onzin van een ander kind willen overtreffen met een onwaarheid zijn ongetwijfeld talloze boeken volgeschreven, maar ik heb ze niet gelezen, en het fenomeen intrigeert me.
Waarom zou je moedwillig iets melden dat niet waar is? Het voegt niets toe, ik zie er het nut niet van in.

Nog intrigerender is het feit dat ik me eraan stoor, terwijl niemand iets is aangedaan, mij nog wel het minst.
Laat het los, zeg ik tegen mezelf, neem een voorbeeld aan de meisjes, het is irrelevant. Who gives a shit. Leven en laten leven.

Sinterklaas
Daarbij, de pot verwijt de ketel. Ik lieg er zonder blikken of blozen lustig op los.
‘Ik kan die week niet afspreken.’ (Ik kan wel, maar ik heb al afspraken en ik wil er niks bij.)
‘Sorry, ik heb nog geen tijd gehad om het knoopje er weer aan te zetten.’ (Ik had er geen zin in.)
‘Nee schatje, dit gaat niet over die-en-die, dit gaat over een collega, die ken jij niet.’ (We roddelen over die-en-die, maar blijkbaar iets te duidelijk, en nu ontkennen we dat.)
Maar liegen over het bestaan van Sinterklaas vind ik stom.

Ballast
Ik hanteer overduidelijk een dubbele standaard, en ben dus de laatste die er iets van mag vinden. Daarbij: wat je afwijst in een ander wijs je in jezelf af. Dus waar gaat dit eigenlijk over?

Ik heb geen rust voor dat is opgehelderd. Het is vast iets met projectie, een gekrenkt ego wellicht, iets over oordelen en andere treurigstemmende mentale ballast. Met dank aan 57 Tesla’s en een keelontsteking die me thuishoudt zwelg ik in een nodeloos gecompliceerd zelfonderzoek.

Zen
En waarom? Welk nut dient dat dan allemaal weer?
Ligt iedereen zichzelf altijd zo de maat te nemen?
Als ik nog puf had gehad zou ik daar ook over nadenken, maar ik wil het niet.
Ik heb ernstig behoefte aan mijn innerlijke zenboeddhist, maar die is samen met mijn stem een paar dagen de hort op.

Ik word soms heel, heel erg moe van mijn eigen hoofd. Niet gelogen.

Drankbon

Mijn middelbare school houdt een reünie. Het komt meerdere malen langszij via social media. Ik neig naar een nee, maar er blijken vrienden te gaan, dus het wikken en wegen kan beginnen. Ik klik de status ‘Geïnteresseerd’ aan.

Toilet
Je moet bij de aanmelding vooraf kiezen voor twee drankbonnen, twee drankbonnen + een broodje of twee drankbonnen + buffet. Wie verzint zoiets, anders dan de mensen die over de inkoop van het eten gaan en geen voedsel willen verspillen?
Een nobel streven, maar dit is een middelbareschoolreunie.

Loop je na een half uur tot op het bot verveeld het pand uit? Of trekt de conciërge je tegen sluitingstijd van de toiletten, waar je net als vroeger beschonken een sigaret probeert op te steken, hoewel je al jaren niet meer rookt?
Onmogelijk vooraf te bepalen.

Piloot
De mensen van school die ik nog steeds zie of volg, volg of zie ik nog steeds, dus daar hoef ik niet voor te gaan, en anderen zie ik niet voor niets niet meer. Van de in betweens weet ik vaak de naam niet eens, wat gênante situaties oplevert, die ik ook zonder reünie al vaak genoeg heb.

De mensen waar ik nieuwsgierig naar ben – zo had ik een blauwe maandag verkering met L., die piloot is geworden, op social media kan ik hem niet vinden – zijn er natuurlijk niet. En dan hebben we het nog niet eens over ingewikkelde zaken als antwoord geven op de vraag ‘Wat doe jij tegenwoordig in het leven’.

Humus
Ik laat mijn keuze nogal ruggengraatloos afhangen van of er voldoende mensen gaan waar ik met plezier een middag mee doorbreng, en die blijken er te zijn, en lastige vragen hoef ik van hen niet te verwachten.

Ik zet mijn pijlen op twee drankbonnen + broodje.
Dieetwensen mogen per mail worden ingediend.
Een volkoren speltbroodje graag, met vegetarisch beleg, zoiets als gegrilde groenten met truffelmayonaise, zonder boter alstublieft.

Guilty pleasure

Tijdens een kennismakingsbijeenkomst van een netwerk krijgt iedereen de vraag wat onze guilty pleasures zijn.
Ik blijk als enige in het gezelschap geen guilty pleasure te hebben.
‘Ik vind een heleboel dingen leuk, ik heb pleasures genoeg. Maar over niet één daarvan voel ik me schuldig,’ zeg ik, ter verklaring.

Ik bleek het allemaal weer te letterlijk te nemen, want het eigenlijke doel was dat je iets over jezelf vertelde dat anderen grappig zouden kunnen vinden, of een tikje gênant, en bij voorkeur iets dat niemand achter je gezocht zou hebben.

Vliegveld
Het is trouwens niet waar dat ik me nergens schuldig over voel, of dat ik niets aan mijn eigen gewoontes gênant vind.
In afwachting van een bus downloadde ik in de lobby van een Grieks hotel eens een spelletje op mijn iPad. Iets met een vliegveld en een stadje dat je moest uitbouwen.

Ik heb dat spel in de drie jaar die volgden elke dag gespeeld. Dat moest, want alleen als je elke dag speelde kreeg je steeds grotere beloningen, en ik ben een sucker voor zulk soort dingen. Er kwamen ook nog tijdelijke evenementen bij, met beloningen die ik natuurlijk óók allemaal moest hebben.

Operaties, vakanties, volgeplande dagen met avondevenementen, niets verstoorde mijn routine. Ik beschouwde het als mijn hoofd leegmaken, een dagelijkse portie mindless niksen.
Tot ik er zelf zat van was – rijkelijk laat, dat geef ik toe – en het spel de rug toekeerde.
Ik had die speeltijd natuurlijk veel beter aan andere dingen kunnen besteden.

Skills
Maar ja.
Om dat nou te delen op een netwerkborrel. Dan moet ik ook vertellen dat ik de draad na een jaar weer oppakte, een nieuw vliegveld en stadje begon en de geschiedenis zich herhaalde.
Deze keer was ik er na anderhalf jaar klaar mee, dat wel.
Nu heb ik tijd te over om aan mijn netwerkborrel-skills te werken.